Hulp bij determinatie:
Wat zijn de veldkenmerken?
Enkele vogelsoorten kunnen onmiddellijk herkend worden aan hun kleur. Men kan zich bijvoorbeeld niet vergissen in het zwart en wit van een Ekster. Maar voor de meeste soorten moeten we ook kijken naar de bepaalde veldkenmerken, deze zijn zeer gevarieerd. In elke goede veldgids zijn deze kenmerken steeds weergegeven, ofwel in de tekst of met een pijltje op de afbeelding. Vele vogels zijn van onderen min of meer gevlekt of gestreept. Bestrijkt deze tekening bijna de hele onderzijde zoals bij een Zanglijster; of is het beperkt tot allen het borst gedeelte, zoals bij een Veldleeuwerik; of alleen aan de flanken, zoals bij een Barmsijs.
Heeft de staart een op merkelijke tekening?
Heeft de staart een witte eindband, zoals bij de Appelvink; witte buitenste pennen, zoals bij de Vink; of witte vlekken opzij, zoals bij het Paapje. Sommige vogels hebben een opvallende witte stuit, de Gaai, Huiszwaluw, Goudvink en Tapuiten, waadvogels en de Blauwe Kiekendief zijn daar voorbeelden van. Aangezien veel soorten een dergelijk opvallend kenmerk hebben is het noodzakelijk om op aanvullende kenmerken te letten. Vleugelstrepen zijn zeer belangrijk in de familie van de zangvogels; soms zijn ze opvallend, soms onduidelijk, soms is er maar één streep. Oogstrepen zijn ook belangrijk bij vele soorten zangvogels. Heeft de vogel een streep onder, door of boven het oog, of een combinatie van twee of drie van die strepen. Sommige zangvogels hebben opmerkelijk gekleurde ogen, oogringen of zgn. baardstrepen. Deze details zij alleen bruikbaar als de vogel van dichtbij bekeken kan worden. Het vliegbeeld is groot belang, vooral bij eenden en waadvogels. De vleugels kunnen geheel zwart of juist helemaal wit zijn. De juiste lokalisering van dergelijke vleugeltekeningen, van boven of van onder, is heel belangrijk.
Bijzondere waarneming op de Houtrak:
Heeft u hem al gezien of gehoord:
de Groene Specht en de Grote Bonte Specht?.
Herkenning:
De soorten in eerdere aflevering beschreven zijn: 01- de Roodborst, 02- de Blauwborst, 03- Roerdomp, 04- IJsvogel.
05 – De Groene Specht:
Wetenschappelijke naam is: “Picis viridis”.
Grote groengele vogel die in grote delen van Europa standvogel is. Grootte 30-34cm. Foerageert zowel in de bomen als op de grond, leeft vooral van mieren. Determinatie: Hij heeft een helder rode kruin, gebied bij het oog is zwart (roversmasker)t, bij het mannetje een rode met zwart omlijnde snorstreep, bij het vrouwtje is de streep helemaal zwart. Bovendelen zijn groen, stuit is geel, staart is donker gestreept en puntig. Dolkvormige zilvergrijze stevige snavel, grijze poten. Hij heeft een typisch golvende vlucht. Een juveniel (jong) heeft sterk gestreepte kop en ondergedeelte. Geluid is luid lachend, kluu-kluu-kluu-kluu. Roffelt zelden tegen takken of stammen. Habitat is open loof- en gemengd bos, maar ook open landschap met bosschages, heidevelden en tuinen. Zeer trouw aan zijn territorium. Is kwetsbaar tijdens strenge winters. Tamelijk schuw en leeft teruggetrokken. In het voorjaar verraad hij zich door zijn geluid. Is op de Houtrak het hele jaar door geregeld te horen en te zien.
06 – De Grote Bonte Specht:
Wetenschappelijke naam is: ”Dendrocopos major”.
Wijd verspreide, algemene standvogel in bossen van heel Europa en natuurlijk vaak waar te nemen op de Houtrak. Determinatie: Grootte 22-24 cm. Bovendelen zwart gebroken door witte wangen, nekvlek en twee opvallende witte ovalen op de rug. Adult mannetje heeft rode vlek op achterhoofdkruin (ontbreekt bij het vrouwtje). Juveniel rode kruin boven op de kop. Beide geslachten roffelen (10-15 luide slagen per seconde) vaak en luid op doodhout, het geluid draagt ver. De vlucht is golvend. Geluid is een explosieve “kiek’. Talrijk in bossen, maar ook in tuinen, parken en bosschages. Eet insecten en hun larven, verschillende boomzaden (vooral dennen- en sparrenappels), eieren en kuiken maar komt in de winter vaak op voedertafels.
Zie voor bovenstaande 2 soorten, foto’s, beschrijving en zang, op: www.vogelvisie.nl/index.php .
Een goede veldgids:
De ware gids is correct en vriendelijk.
Eigenlijk is het vreemd. Dit is het tijdperk van geavanceerde en buitengewoon handzame informatietechnieken, maar wie in het veld iets wil naslaan over wat daar vliegt, tjilpt, of zingt, die moet dat letterlijk doen door een boek open te slaan.
Het aanbod in vogelgidsen is inmiddels duizelingwekkend. Kiezen is daarom moeilijk, maar een goede gids kent altijd twee eigenschappen: Zijn informatie is correct en het gebruik is vriendelijk.
Voor beginners is een professionele gids toch een hele klus. De meeste gidsen bestrijken niet alleen Europa tot de Oeral, maar ook nog eens het Midden-Oosten en Noord-Afrika.
Een beetje gids behandeld tussen de 500 en 600 soorten met hele reeksen afbeeldingen op één pagina.
Voor de beginner volstaat bijvoorbeeld een ” Basis Vogelgids” van Meindert de Jong -een Thieme uitgave- speciaal voor de Benelux, zelf heb ik altijd een eenvoudige gids bij me van de Vogelbescherming. De ANWB heeft ook een eenvoudige gids in zijn assortiment, (http://www.anwb.nl/webwinkel/kaarten-boeken-en-gidsen,/overige-boeken-en-gidsen/natuur-en-veldgidsen/anwb-veldgids-vogels.html) , deze zijn handzaam en makkelijk in je jas, broekzak of golftas mee te nemen.
Wanneer de interesse toeneemt, kun je je wagen aan een wat professionelere vogelveldgids. Het advies is om een gids te nemen met één of hooguit enkele soortafbeeldingen per pagina. Gidsen met een dergelijke opzet geven de gebruiker meer gelegenheid om in rust soortkenmerken in zich op te nemen, dan gidsen met veel soortafbeeldingen per pagina, zoals bijvoorbeeld “Veldgids voor vogels in Europa” van John Gooders of Vogels van Europa van Lars Jonsson beide van Tirion. In beide gidsen wordt ook de determinatie behandeld.
Nog andere maatstaven dan “volledigheid” beperken het aantal gidsen. Een vogelveldgids moet zonder veel sjouwen in je rugtas of tenue meegaan. De criteria is dat de vogelveldgids beoogd de vogelaar in het veld te helpen met vogels op naam te brengen. Kwaliteit en het aantal van de illustraties staan dan voorop. Want een vogel presenteert zich soms in heel verschillende verenkleden, afhankelijk van positie (rust, vliegend, jagend, baltsend), seizoen, geslacht en leeftijd en de kleine verschillen tussen op elkaar gelijkende soorten. De gidsen die daar met hun illustraties goed op in spelen hebben dan ook veel voor op gidsen die uitsluitend met foto’s werken.
Duizelt het nu? Begrijpelijk. Een laatste advies, ga voor aankoop van een gids naar een kwaliteitsboekhandel op natuurgebied of ga naar de Vogelbescherming in Zeist of het Noord-Hollands Landschap, waar ze bijna alle vogelveldgidsen wel zijn te vinden.
Neem dan als voorbeeld een vogel die u goed kent en lees aandachtig de informatie die iedere gids over die soort schrijft en afbeeld. De gids die er dan naar uw mening het beste van maakt zou voor u eigenlijk wel eens het meest geschikte kunnen zijn.
Uiteindelijk begint alle kennis met scherp waarnemen en attent zijn op opvallende kenmerken.
Voor meer informatie kijk ook eens op de websites van: Vogelbescherming Nederland, Het Noord-Hollands Landschap, Vogelwerkgroep Zuid Kennemerland, algemene informatie, Foto’s, dagboek van een amateur vogelaar Adri de Groot, Natuurinformatie van WNF, Ecomare en Naturalis, SOVON vogelonderzoek.
De volgende keren:
- - De vaste rubriek “Heeft u hem al gezien?”;
- - Bijzondere soorten op de Houtrak, zoals bijvoorbeeld de Nachtegaal, Sprinkhaanzanger, Kleine Karekiet, Rietzanger, Zwartkop, Tuinfluiter , Boompieper, Fitis, Tjiftjaf, Rietgors, etc.;
- - Het resultaat van de jaarlijkse NGF Birdwatchingday van mei dit jaar;
- - Het resultaat van de jaarlijkse broedvogeltellingen op de golfbaan.
Met vriendelijke groet,
Dick Klein Schiphorst.
Voor vragen en of opmerkingen graag e-mailen of mij gewoon even aanspreken op de golfbaan.
Bron: Literatuur en cursusmateriaal Vogelwerkgroep Zuid-Kennemerland.

