Tot 1865, toen met de aanleg van het Noordzeekanaal en de bouw van de Oranjesluizen bij Schellingwoude werd begonnen, kwamen eb en vloed vanaf de Noordzee en via de Zuiderzee en het IJ van twee kanten af op de Hollandse duinenrij. In het Houtrak, het water achter de Spaarndammerdijk en de buitenkade van de Inlaagpolder, en van het Buiten-IJ gescheiden door het eiland Ruigoord, was de golfbeweging toen al een natuurlijk verschijnsel.
Het water werd aan de zuidkant toen al vele eeuwen gekeerd door met name de Spaarndammerdijk, gelegen vanaf de sluizen van Spaarndam tot aan Halfweg. Direct achter de dijk lagen Polanen, Houtrijk, 't Hoff Ambacht en het Ambacht Spaarnwoude en iets verder de stad Haarlem aan het Spaarne, dat bij Spaarndam werd afgedamd. In de loop van de twaalfde eeuw was de Oude Rijn, van belang voor de afwatering van het gebied van Rijnland en Woerden, bij de uitmonding in zee bij Katwijk geheel verzand. Het overtollige water stroomde toen via de Leidse Meer, de Haarlemmermeer en het Spaarne in noordelijke richting naar het IJ en zo naar de Zuiderzee. Bovendien vonden er toen in het Rijnlandse veel veenontginningen plaats, waardoor het water versneld een uitweg zocht naar zee. Toen de dam in het Spaarne gelegd werd, werden in verband met die afwatering van Rijnland en Woerden in de dam tien spuisluisjes gebouwd, die bij eb het overtollige water op het IJ konden lozen; bij vloed werden de sluisjes weer gesloten. Woerden en de ambachten van Rijnland moesten de kosten van de spuisluisjes dragen.
Een aantal ambachten werd gezamenlijk verantwoordelijk gesteld voor het onderhoud van een spuisluisje dat dan ook werd genoemd naar het voornaamste ambacht van die groep. Zo waren er in Spaarndam in de middeleeuwen een Alphersluis, Hazewoudersluis, Alkemadesluis, de sluis van Rietwijk en Nieuwerkerk, Noordwijkersluis, Aalsmeerdersluis, de sluis van Zoeterwoude, de Haarlemmersluis en eerst drie en uiteindelijk één Woerdersluis; deze laatste hardstenen sluis, gebouwd in 1611, resteerde als enige spuisluis en bleef als monument karakteristiek voor het dorpsbeeld van Spaarndam tot op de dag van vandaag. Het bestuur van de dijken en sluizen viel onder de Hoogheemraadschap Rijnland, dat eerst in Spaarndam en later ook in Halfweg zogenaamde gemeenlandshuizen had die dienden als ambtswoning van de dijkgraaf. Het Rijnlandhuis in Spaarndam, dat waarschijnlijk dateert van 1641 en recentelijk is gerestaureerd, staat aan het begin van de Spaarndammerdijk en is oorspronkelijk een bijgebouw van het oude gemeenlandshuis; in 1648 werd in Halfweg het Huis Zwanenburg gebouwd, waarin in 1865 - de Haarlemmermeer was inmiddels drooggelegd - de Eerste Beetwortel Suikerfabriek werd gevestigd.
Op het IJ werd gevist met een soort voorloper van de botter. Het net werd aan stokken achter het schip bevestigcl en zo over de bodem gesleept en de gevangen vis werd bewaard in de bun. Maar de voornaamste scheepvaart was het handelsverkeer tussen de Duitse hanzesteden en Vlaanderen, waarbij de route via Spaarndam en de Hollandse binnenwateren naar Gouda vanaf de dertiende eeuw de voorkeur kreeg boven het Utrechtse traject over de Vecht en de Lek. Vanaf de vijftiende eeuw begon ook de vaarweg over de Noordzee een belangrijke rol te spelen, maar afgewogen tegen de gevaren van slecht weer en zeerovers werd het ongemak van de vele sluizen en bruggen graag voor lief genomen; bovendien kon dan ook de belangrijke handelsstad Amsterdam worden aangedaan.
In het begin van de zestiende eeuw brak de Spaarndammerdijk diverse malen door waarbij veel land onder water kwam te staan - tot Leiden aan toe. In de buurt van Haarlem, Leiden en Amsterdam gingen de bomen dood door het zoute water, hetgeen voor deze steden aanleiding was om zich met het herstel en later het beheer van de dijken te gaan bemoeien. De herstelwerkzaamheden kostten veel geld. Toen de laatste doorbraak bij Halfweg net gedicht was en vervolgens weer bezweek was het landverkeer tussen Amsterdam en Haarlem, dat in die tijd de Spaarndammerdijk volgde en vanaf Spaarnwoude via de Kerkweg en de Oude Weg bij de Spaarnwouder Poort in Haarlem kwam, voor lange tijd gestremd: het geld was op. De nieuwe landsheer Karel V - ingehuldigd op 15 juni 1515, toen 15 jaar oud - verbood toen de St. Pietersaflaat in zijn gebied, bestemd voor de bouw van een nieuwe Sint Pieterskerk in Rome. Zo kon paus Leo X ertoe worden gebracht om op 7 september 1515 een nieuwe aflaat af te kondigen: de dijkaflaat, waarvan de opbrengst onder andere ten goede kwam van het dijkherstel.
In het begin van de Tachtigjarige Oorlog was de Spaarndammerdijk een belangrijk strijdtoneel. Spaanse troepen onder leiding van Alva's zoon Don Frederik wilden in het najaar van 1572 via de dijk Spaarndam innemen om zo het opstandige Holland in te sluiten en de stad Haarlem te belegeren. Aanvankelijk werden zij vanaf het IJ en vanachter schansen bij Spaarndam bestookt en op afstand gehouden door de geuzen, die daarbij ook de dijk doorstaken en zo de binnenpolders onder water zetten; maar in december viel Spaarndam en werd Haarlem omsingeld. De doortocht van Spaarndam via de Liede en het Spaarne naar de Haarlemmermeer werd echter steeds weer geblokkeerd, zodat de geuzen de stad vanaf die kant nog lang konden bevoorraden. Op 29 maart 1573 groeven de Spanjaarden bij Halfweg de Spaarndammerdijk door en kon de vloot van Bossu via het Houtrak en het Spieringmeer de Haarlemmermeer bereiken. In mei werd de geuzenvloot tenslotte in de Slag op het Haarlemmermeer verslagen en op 13 juli gaf Haarlem zich over.
Door de eeuwen heen zijn er bij stormvloeden vele overstromingen geweest en werden de dijken regelmatig versterkt en verhoogd. Vanaf het begin van de zeventiende eeuw had het Hoogheemraadschap Rijnland daarover een langlopend conflict met Amsterdam: de stad rekende op een zgn. overlaatfunctie van de dijken verderop in het IJ en was bang zelf te overstromen als die dijken te hoog werden. In die periode deed het begrip Amsterdams Peil zijn intrede als uitgangspunt voor de hoogte van dijken. Pas vroeg in de negentiende eeuw hadden de Rijnlandse dijken een bevredigende hoogte.
In 1632 werd de trekvaart tussen Haarlem en Amsterdam geopend met ernaast een nieuwe tolweg en was de rol van de Spaarndammerdijk als enige landverbinding tussen deze steden voorbij. Precies drie eeuwen later, toen ook de spoorlijn allang was aangelegd, gaf G.J. Bettink een volgende beschrijving:
Voor de droogmaking zag men vanuit de trein bij Halfweg een kleine baai, het Houtrak. Schuilplaats met zijn rietachtige zoom voor meeuwen en meerkoeten. In de tweede helft van de zestiende eeuw lag dat Houtrak niet zo open. Een drietal kleine eilandjes sloten het af en Ruichoort, het naast aan de Spaarnwouder buitenvelden, was daarvan het voornaamste. Ver genoeg van de vaste wal gelegen om rustig te zijn, was het met zijn ruige rietboorden en slikkerige uitlopers, zijn inhammen en kleiplaten buiten af in zijn kreken en poelen naar binnen een welkom oord voor vele waterbewoners.
Daar joegen aalscholvers met schuwe onrust naar het aas, daar zwommen de witgebiesde meerkoeten onvermoeid rond, glanzig zwarte zeeëenden brachten er vaak een bezoek. En zo was het er levendig van de talrijke waterbewoners, die er in het water dompelden, wegscholen in de nauwere gangetjes tussen het riet of trippelden over de drassige grond. Mensen woonden er niet. Zeker, in de tweede helft van de vorige eeuw stond er een huisje, omgaf een dijkje het eiland, had het ook een waterlozing door een sluisje op het IJ en was het zo een polder van ruim 60 bunder, terwijl een zoom rietland er omheen van zowat 6 ha aan de oudere toestand herinnerde. Maar daarom kwamen er wel mensen en was het voor de watervogels niet altijd veilig.
Menigmaal werden zij er belaagd door listige vogelaars. Voorzichtig in het riet gedoken of op andere wijze de argeloze dieren verschalkend, hielden de jongens in de hand een lang touw met wat drijvend aas aan het eind, zover mogelijk in het water geworpen. Liet nu een hongerige vogel zich verlokken, hapte hij gretig toe en slikte hij, niet minder gulzig, het verraderlijke aas in, dan sprong de vogelaar toe, na eerst de lijn naar te hebben toegehaald en het eind was... een omgedraaide hals. Hier was het ook, dat tegen het einde van het Spaanse beleg, Spaanse verversingstroepen aanlandden, terwijl Kennemer vrijbuiters in de herberg aan de Westzaner Overtoom zaten. Geen enkele der Spaanse krijgslieden was het ontkomen. Ruigoord was het einde van hun loopbaan.
Hoe geheel anders is het er nu. In plaats van het brakke water zijn er welige landouwen met de hoge kanaaldijk op de achtergrond. Hier en daar staat een boerderij, ook nog met een kerkje en een school. Het is een rustig plekje, dat men zo vlak bij de grote steden niet zou verwachten.
In 1862 - de oude Tom Morris had op Prestwick net zijn tweede Open Championship gewonnen - werd besloten tot de aanleg van het Noordzeekanaal: vanaf Amsterdam door het IJ, dwars door Buitenhuizen, schuin omhoog door het Wijkermeer en dan dwars door de duinen bij Velsen waar Holland op zijn smalst was. Aan de kust ontstond toen de nieuwe plaats IJmuiden. Voordat deze nieuwe waterweg in 1876 gereed kwam was de Houtrakpolder al drooggevallen, globaal begrensd door het Noordzeekanaal, de Zijkanalen C (naar Spaarndam) en F (naar Halfweg), en de Spaarndammerdijk en de buitenkade van de Inlaagpolder; het voormalig eiland Ruigoord viel buiten het gebied van de polder. De Houtrakpolder is drooggemalen door de Amsterdamse Kanaalmaatschappij; in september 1876 werden de ruim 404 hectare tegen een prijs van ƒ 82.539,86 overgedaan aan het eerste polderbestuur onder voorzitterschap van Bauduin, de eerste dijkgraaf. Diens familie, die in Nederlands-Indië rijk was geworden, had op veilingen een groot gebied in het zuiden van de polder aangekocht; niet alleen de Bauduinlaan, maar ook de namen van de boerderijen Borneo, Celebes, Java en Sumatra herinneren hieraan.
In 1979 werd de Houtrakpolder als zelfstandige polder opgeheven en ging over in het Waterschap Groot-Haarlemmermeer.
Bob van Steijnen

